Lettergrootte:

75 auteurs schrijven brief aan hun jongere ik

Van 10 tot en met 20 maart organiseert de CPNB voor de 75ste keer de Boekenweek. Dat jubileum wordt onder meer gevierd met de uitgave van een bijzonder boek. Dit jaar dus niet het gebruikelijke Boekenweekessay maar een gebonden boek van 300 pagina’s waarin werk van 75 hedendaagse Nederlandstalige auteurs is samengebracht. Prozaschrijvers, dichters en kinderboekenauteurs kregen het verzoek een brief te schrijven aan hun jonge ik. Welke kennis, in de loop der jaren opgedaan, zouden ze aan hem of haar willen meegeven? Aanleiding is het thema van de Boekenweek, Titaantjes – Opgroeien in de letteren.


Top van de Nederlandse letteren


Op een persconferentie in Amsterdam over de Boekenweek heeft de CPNB vanochtend Titaantjes waren we : schrijvers schrijven zichzelf en het Boekenweekgeschenk van Joost Zwagerman gepresenteerd. Duel is het tragikomische verhaal van een museumdirecteur die na de verdwijning van een topstuk ter waarde van dertig miljoen ernstig op de proef wordt gesteld. Titaantjes waren we bevat bijdragen van 52 mannelijke en 23 vrouwelijke auteurs, met elkaar zowat de top van de Nederlandse letteren. Arnon Grunberg is een van de auteurs die niet inging op het verzoek van de CPNB. Hij liet de organisatie weten dat hem niet alleen de tijd ontbrak, maar dat hij niet zou weten wat anders te schrijven aan zijn jonge alter ego dan ‘het was beter geweest als je niet was geboren’.


Vertedering


Dat zou in ieder geval een bijdrage hebben opgeleverd waarin nuchter op de jeugd wordt teruggekeken. ‘Hoor je vrouwen ooit over zichzelf praten met dezelfde vertedering die mannen kunnen opbrengen voor het jongetje dat ze ooit waren?’ Die vraag werpt Connie Palmen op in de brief aan haar jonge ik, aan dat schijnbaar onveranderlijke ‘iets’ waarmee ze volledig samenvalt, maar dat haar tegelijkertijd vreemd is. Een wijs man zei haar eens dat ze wel wat meer empathie mocht opbrengen voor het kind dat ze was geweest.


Lieve jongen


Daarvoor zijn haar herinneringen te pijnlijk, zoals aan het kind dat zich in bed de dood voorstelde van haar familieleden en van haarzelf, tot ze als het ware volledig oploste in het niets. Dat deed pijn, telkens weer, maar leerde haar wel de kracht van de verbeelding kennen. Veelbetekenend in het perspectief van de vraag die zij stelt, is dat nogal wat brieven van mannelijke auteurs aan hun jonge ik ‘Lieve jongen’ als aanhef hebben. Daar staat wel een bijdrage als die van Hugo Brandt Corstius tegenover. Die overlaadt ‘Alter Hugo’ met scheldwoorden, beginnend met alle letters die het alfabet telt, van ‘Afgrijselijke Asperge’ tot ‘Zure Zuiglap’.

Huidig ik

Dat Connie Palmen de veertig naderde toen zij debuteerde, is te lezen in de bijdrage van Joost Zwagerman. Ze mag zich op basis daarvan ‘een gemiddelde schrijver’ noemen, aangezien de gemiddelde leeftijd waarop een schrijver in Nederland debuteert, tussen de zes- en zevenendertig is. Zelf gedebuteerd op zijn tweeëntwintigste, kon Zwagerman jarenlang doorgaan voor een jonge schrijver. Tot hij op zijn zesendertigste samenviel met zijn huidige ik, door het samenspel met de iets jongere Ronald Giphart in de literaire theatershow Hamerliefde.


Eigenheid


Giphart zelf heeft zijn jonge ik een paar jaar geleden met een kruiwagen het huis uitgedragen, nadat zijn literaire archief in een ondergelopen kelder tot papier-maché was verpapt. Op zijn zeventiende had hij zich tot schrijver gebombardeerd ‘en dat is zo’n beetje het enige opwindende dat ik kan bedenken’. Het voornemen schrijver te worden en de vonk die daar voedsel aan gaf, komt in heel wat van de brieven terug. Meestal is het een besluit dat diametraal ingaat tegen de verwachtingen die de omgeving koestert. Kiezen voor eigenheid boven veiligheid, zoals Arthur Japin het noemt. ‘Neem van mij aan dat jij je leven lang het gelukkigst zult zijn wanneer jij je afwendt van de norm en toegeeft aan het ongerijmde’.

Kiem

In het besef, voor het eerst, een zelfstandig wezen te zijn, lag ook voor Christine Otten de kiem van het schrijverschap, de keuze voor een idealisme dat geheel en al in de taal verankerd is. Carolijn Visser spreekt de 26-jarige Carolijn toe die door ‘de linkse kerk’ werd gekapitteld om de manier waarop ze in een artikel in de NRC over de sandinisten in Nicaragua schreef en later over de armoede en onderdrukking in China. Steun vond ze toen bij Renate Rubinstein die haar met een bevrijdende schaterlach voorhield zich niet te laten intimideren. Bernlef kapittelt zelf de debutant die hij was en wijst hem op de fouten in Stenen spoelen. Hij raadt hem de schrijvers aan die hij nodig moet gaan lezen.

Lezen


Om lezen en om boeken die van belang zijn geweest, gaat het ook in veel bijdragen. The Catcher in the Rye van de vorige week overleden J.D. Salinger deed Bart Moeyaert besluiten niet terug te keren naar de provinciestad waar hij was opgegroeid en wekte in Nico ter Linden even de ambitie vertaler te worden. Marita Mathijsen, als kind en middelbare scholier een veellezer die Oeroeg en Het bittere kruid links liet liggen ómdat ze te dun waren, had haar jonge ik graag ingefluisterd een schrift over al het gelezene bij te houden. En had haar wat klassieke jeugdboeken in handen willen stoppen.


Appie en Abdel


Ook om andere, soms heel persoonlijke dingen gaat het uiteraard in Titaantjes waren we, zoals in de brief van Abdelkader Benali aan ‘Beste Appie’, die in de eerste week op de middelbare school Abdel wordt en zijn kinderlijke nestgeur aflegt als een meisje met de dwingende, dominante ogen van een volwassene tegen hem zegt dat hij stinkt. ‘Je ruikt jezelf en je besluit dat je jezelf niet mag zijn waar anderen bij zijn.

Titaantjes waren we is in de Boekenweek te koop voor 10 euro. Uitsluitend in die periode is het voor hetzelfde bedrag ook te downloaden als e-book.

Bron: Jef van Gool / Literatuurplein